Schrijf r u i m t e

Schrijf r u i m t e

Tekstproducties, (eind)redactie en communicatieadvies

Kader Abdolah in het land van de koopman

Interview voor Blauww, december 2016

Onlangs verscheen de roman “Salaam Europa” van de uit Iran afkomstige en in Delft woonachtige auteur Kader Abdolah. In deze roman komen thema’s als culturele verschillen, vrijheid en gastvrijheid aan de orde. Met gastvrijheid als thema voor deze editie van Blauww was dit een goede aanleidingom nader kennis te maken met Kader Abdolah en met hem te spreken over zijn ervaringen met gastvrijheid in Nederland. 

Het thema van deze Blauww is gastvrijheid. Waar denkt u aan bij het woord gastvrijheid?
Ik vind Nederland een gastvrij land en ik zal uitleggen waarom. Dit land is gastvrij voor iedereen die binnenkomt, want dit land heeft de geest van de koopman. Zijn geest kent andere culturen, andere talenten en heeft veel gereisd naar alle hoeken van de aarde. Hij is gastvrij, maar wel met een voetnoot. Als je je best niet doet, ben je niet welkom.

Dus dat is de koopmansgeest; we zijn gastvrij, maar wel willen er wel iets voor terug. Vindt u dat een slechte eigenschap?
Nee, er zijn verschillende culturen op deze prachtige aarde, je kan een cultuur niet goed of slecht noemen. Het is de cultuur van dit land dat onder het zeeniveau ligt en waar de stapelwolken overheen drijven, het is zoals het is.

U bent in 1985 gevlucht uit Iran. Ziet u parallellen met de huidige vluchtelingenstroom?
Dat is een mooie vraag. Meer dan 25 jaar geleden toen ik mijn vaderland ontvluchtte, kwam ik in Istanbul terecht. Een beetje naïef dacht ik dat ik er één van een paar duizend vluchtelingen was. Maar tot mijn grote verbazing zag ik in Istanbul miljoenen migranten. Allemaal uit Iran, Syrië, Irak, Afghanistan. Toen had ik nog niet door dat ik deel uitmaakte van de eerste golf van de miljoenen die 25 jaar later naar Europa zouden komen. Ik had nog geen enkel besef van immigratie.  Als vluchteling is het alsof je in een school vissen zwemt, je beweegt mee met de massa, maar je bent je niet bewust van wat er verder gebeurt. Pas na een lange tijd besefte ik wat er wereldwijd gaande was en schreef ik columns in onder andere de Volkskrant, dat er miljoenen mensen op de vlucht waren. Niemand kan zeggen hoe lang dit gaat duren of voorspellen wat er gaat gebeuren; het is de geschiedenis die aan het werk is. Honderden elementen en factoren hebben bijgedragen aan de totstandkoming van die beweging.

Ik heb gelezen dat u zich van jongs af aan hebt verdiept in de westerse literatuur en daarna ook in de westerse samenleving.
Ja, dat is waar. In mijn middelbareschooltijd en later op de universiteit waren de Franse, Amerikaanse en Engelse literatuur binnen handbereik. De sjah was westers georiënteerd en daardoor kwam ook heel veel westerse cultuur Iran binnen via radio, televisie en vooral cinema.

Wat was voor u zo aantrekkelijk aan die westerse literatuur?
Een van mijn bekendste boeken is Het huis van de moskee. Dat is voor een groot deel autobiografisch, ik ben in dat huis opgegroeid. We hadden een grote bewaarbibliotheek, met allemaal oosterse klassieken. Grote, dikke, boeken, in groen of bruin leer gebonden en zonder foto’s op de kaft. In de jaren zestig, toen ik een puber was, waren de Amerikanen al zo’n vijftien jaar in het Midden Oosten, vooral in Iran. In die jaren veramerikaniseerde Iran een beetje. Maar onze stad nog niet. We woonden in een godverlaten plaats in de bergen, dus we telden niet zo mee. Mijn kennis reikte tot de boeken in onze eigen bibliotheek. Ik droomde erover om schrijver te worden, maar steeds als ik naar onze eigen bibliotheek ging, zonk de moed mij in de schoenen. Want alle boeken in die bibliotheek gingen over de grote thema’s: oorlog, de dood, liefde, verdriet. Hoe kon ik daar zelfs maar bij in de buurt komen? Op een dag, toen ik langs de moskee kwam, werd er met een hijskraan een krantenkiosk tegenover de moskee geplaatst. Het was het eerste symbool van de Amerikaanse invloed in onze stad. Mensen protesteerden; ze wilden de Amerikanen niet. Maar ’s avonds sloop ik stiekem langs die krantenkiosk. De zijkant was doorzichtig, en daarachter waren touwtjes gespannen waarover kleine boekjes hingen. Het waren pocketboekjes; zulke kleine boekjes had ik nog nooit gezien! En het meest verrassende vond ik dat ze allemaal een kaft met een foto hadden. Op de meeste foto’s stond een vrouw, met een rode korte jurk en een klein pistool boven haar borsten en achter haar stond een man met een zwarte jas en een hoed en een geweer. Het waren allemaal supermarktromannetjes. Ik kocht het boek met de kortste rode rok en heb dat in 3 uur uitgelezen. Er ging een wereld voor me open. Het boek ging over alles waar de boeken in onze bibliotheek niet over gingen: vrouwen, wapens, wijn, seks, drugs. Daarna heb ik die andere boeken uit de kiosk binnen korte tijd allemaal uitgelezen. En toen dacht ik, als literatuur over zulke dingen gaat, dan kan ik er ook over schrijven. Dat was mijn entree in de wereld van de westerse literatuur. Daarna volgden ook de grote schrijvers als Hemingway en Shakespeare, maar die krantenkiosk was de opening.

Kwam het beeld wat u toen kreeg over de westerse samenleving overeen met wat u jaren later tegenkwam in Europa?
Kijk, de sjah had de poorten geopend naar de westerse samenleving en er waren niet alleen boeken, maar ook film en cinema. Dus ik had wel een beeld, maar toen ik in Nederland aankwam bleek alles toch net anders. Engeland en Amerika kende ik door boeken en films, ik sprak Engels en wat Frans, ik had over Amsterdam gehoord, maar niet over Nederland of over Delft. Wel over Van Gogh, maar niet over de mensen, de stamppot en de literatuur van Max Havelaar of Annie MG Schmidt. Ik maakte kennis met andere omgangsvormen, een ander soort geloof, een ander type vrouwen, ik ging Nederlands eten proeven en ik moest Nederlands leren. Dat was immigratie; een ultieme kennismaking met de ander.

Als vijftienjarige had ik me druk gemaakt omdat ik niet wist waarover ik zou kunnen schrijven, nu had ik mijn eigen thema gevonden: de immigratie, de mens in een andere dimensie. Ik zou de liefde, de dood, verlangen, heimwee, reizen, vrouwen, seks, al die thema’s in de context van immigratie plaatsen, en dan ook nog in een vreemde taal. Een taal die, behalve door de mensen in mijn omgeving, door bijna niemand ter wereld werd gesproken.

Hoe heeft u dat aangepakt? Ik neem aan dat u toen nog geen Nederlands sprak zoals u nu Nederlands spreekt.
Als er miljoenen mensen vluchten, moet iemand  de pen oppakken om hun verhalen te  vertellen. En ik ben één van hen. Eigenlijk vertolk ik wat immigratie met mensen doet. Ik schrijf niet over immigratie, maar over iets nieuws dat tot stand komt. Ik schrijf niet over mensen die komen en die gaan, maar over een nieuw mens. Dat zijn niet alleen de vluchtelingen zelf, maar iedereen die met migratie te maken krijgt en daardoor verandert. Op het moment dat ik in het Nederlands begon te schrijven, had ik eigenlijk onvoldoende kennis van deze taal . Ik maakte duizenden foutjes. De eerste jaren heb ik alleen maar geschreven, gevraagd, laten nakijken en gecorrigeerd, geschreven, gevraagd, laten nakijken en gecorrigeerd, steeds maar weer. Dat was de enige manier. Maar ik besefte ook dat ik niet mocht gaan zitten wachten tot ik de Nederlandse taal machtig was. Dan zou het moment voorbij zijn. Dus ik begon gewoon en na drie, vier jaar werd mijn eerste boek gepubliceerd.

Toen u aankwam in Nederland, belandde u eerst in een AZC. Hoe heeft u dat toen beleefd?
Ik werd opgevangen in een AZC in Apeldoorn; dat was een schok . Een paar honderd, misschien vijf- of zeshonderd rare mensen bij elkaar geprop. Ex-generaals, ex-stromannen, ex-handlangers van de sjah, ex-handlangers van dictators, gewone vrouwen, gesluierde vrouwen, hoertjes, Russen, Irakezen, Syriërs, soldaten; de hele wereld was daar aanwezig. Je wist niet wie er loog, wie de waarheid sprak, je vertrouwde niemand. De derde dag werd onze groep in een bus gestopt en gingen we naar school. Dat was zo mooi! Dat bedoel ik ook met gastvrijheid. We waren drie dagen in Nederland en toen zaten we al in de schoolbanken: intellectuelen, analfabeten, gesluierde vrouwen, generaals die eigenlijk helemaal geen zin hadden om mee te doen. En toen kwam er mooie, jonge vrouw binnen, Ivona, en die zei “Een goedemorgen allemaal”. En wij, we riepen allemaal terug “Een goedemorgen allemaal”. Om daarna heel verbaasd te zijn: waren wij dat die dat hadden geroepen?

Dat was het begin?
Dat was het begin! Na een tijdje kregen we de boeken over Jip en Janneke van Annie M.G. Schmidt. We begrepen er niet veel van, het was ongelooflijk moeilijk, maar we moesten leren en dat deden we dus. Een paar maanden later moesten we naar een echte school om de Nederlandse taal te leren en kregen we de opdracht om een opstel te schrijven van een half A4’tje. De docent riep me voor het bord en vroeg me mijn opstel voor te dragen. Na afloop zei hij: ”Ik heb nog nooit in mijn leven iemand een 10 gegeven, maar ik geef je een 10”. Hij nam mijn tekst over in de schoolkrant, met mijn naam eronder. Dat was voor mij een bepalend moment, hoewel mijn Nederlands nog verre van correct was. Ik dacht, als ik een half A4’tje kan volschrijven, dan kan ik dat ook met een heel A4’tje. En als ik zo’n 80 A4’tjes kan schrijven, dan heb ik een boek. Wat die docent deed, was mij de ruimte geven. Dat hoort ook bij gastvrijheid, vind ik. Het was een enorme duw in de goede richting. Dit land geeft je ruimte als je een talent hebt. Het doet het niet alleen voor jou, het doet het ook voor zichzelf. Het is de geest van de koopman. Maar daardoor krijg je wel een kans.

In uw laatste boek Salam Europa krijgt Sjeed Djamal een reisboek van een sjah in handen die in de negentiende eeuw door Europa trekt. Hoe heeft u tijdens het schrijven zelf die reis beleefd?
Aan het eind van de 19e eeuw kwamen de eerste treinen en die openden een nieuwe poort voor de mensheid om naar andere plekken te gaan. Behalve zoons van de rijke Iraanse handelaren die naar de Europese universiteiten gingen, waren er ook vier Iraanse koningen die dwars door Europa reisden. Allemaal hielden ze reisboeken bij en die heb ik allemaal gelezen, maar met een afstand van 130 jaar. Toen heb ik diezelfde reis gemaakt, dezelfde routes gevolgd, maar met de kennis van nu. Verleden en heden vloeien in elkaar over en ik laat Europa zien door de ogen van de sjah-immigrant, door de ogen van de Kader Abdolah-immigrant. Op die manier houd ik de lezer een soort spiegel voor.

U heeft de State of the Union Europa 2016 uitgesproken. Hierin wordt de spreker gevraagd om vanuit zijn perspectief hardop na te denken over Europa en onze gezamenlijke toekomst. Hoe kijkt u naar Europa en hoe denkt u dat we samen verder moeten?
In de negentiende eeuw was Europa bezig met heel veel ontwikkelingen en wetenschappelijke dingen. Alles wat we nu hebben, hadden we toen nog niet. De Europese mens was toen bezig met creëren, met een nieuwe identiteit. Nu is Europa weer bezig met een nieuwe identiteit, met nieuwe takjes in haar DNA en daardoor trekken migranten hiernaartoe. Drie elementen zullen dit land bij elkaar houden: de geest van de koopman, de geest van het calvinisme en de Nederlandse taal. Geschiedenis trekt zich niets aan van angsten, iedereen mag schelden, boos zijn, roepen, maar Europa is bezig haar werk te doen. Over 50 jaar, over 100 jaar is Europa sterker dan het Europa van nu. En wie hier naar binnen komt, krijgt de kleur van de koopmansgeest mee.

Kader Abdolah vluchtte in 1985 vanuit Iran via Turkije naar  Nederland en woont sinds 2003 in Delft. Hij won diverse prijzen met zijn boeken en veel van zijn werk werd genomineerd. In 2000 werd Abdolah benoemd tot Ridder in de Orde van de Nederlandse Leeuw voor zijn inzet op het gebied van literatuur, internationale samenwerking en vrede. In 2007 werd zijn boek Het huis van de moskee verkozen tot het op één na beste Nederlandse boek, na De ontdekking van de hemel van Harry Mulisch. Een jaar later kreeg Abdolah de Franse onderscheiding ‘Chevalier dans l’Ordre des arts et des lettres‘ bij het verschijnen van de Franse vertaling van Het huis van de moskee. 

https://issuu.com/blauww/docs/blauww_6

Schrijf een reactie